Het ene landschapskantoor is het andere niet

Om de zoveel tijd verschijnt er een artikel met een titel als ‘mensen ontevreden en onproductief in landschapskantoren’ of ‘Eindelijk bewezen: landschapskantoor is geen goed idee’. Vaak gaat het dan over hoe men zich niet kan concentreren in een open kantooromgeving. Op zich lijkt dat evident: waar veel mensen samen aan de slag zijn, is er meer risico op stoorzenders tijdens het werken. Probleem is echter dat het vaak te eenvoudig voorgesteld wordt. Het gaat vaak mis bij de definitie, want, wat is een landschapskantoor nu juist?

Bij het lezen van dit soort artikels is het belangrijk zich een aantal vragen te stellen. Om te beginnen; vanaf hoeveel plekken samen is een kantoor een landschapskantoor? Het lijkt duidelijk dat het gaat over een aantal bureaus die samen in een open ruimte staan, maar hoeveel zijn dat er? Er is een wezenlijk verschil tussen een kantoorruimte waar zes bureaus samen staan, en een waar er 20 samen staan. De volgende vraag die daarbij hoort is: wat is de dichtheid van de plekken? Dit lijkt al een moeilijkere factor om precies te bepalen; maar als plekken verder uit elkaar staan, zullen de negatieve elementen die men associeert met een open omgeving uiteraard minder uitgesproken zijn. Vier bureaus op 20 vierkante meter is iets heel anders dan vier bureaus op 200 vierkante meter. Bovendien kunnen allerhande akoestische maatregelen in kantoren de hoeveelheid ruis sterk beïnvloeden en afscheidingen en planten kunnen dan weer meer visuele rust geven. Dat zijn alvast enkele factoren van de ruimtelijke indeling van een kantoor die een grote impact hebben.

Maar naast deze ‘fysieke’ factoren zijn er nog een aantal andere elementen die we moeten voor ogen houden als we de stoorzenders in een ‘landschapskantoor’ bedenken. Factoren die misschien nog belangrijker zijn. Het grootste deel van de ruis en afleiding op kantoor komt namelijk van onze collega’s. Daarom moeten we zeker ook de vraag stellen: hoe gebruikt men de werkplekken in het kantoor? In sommige kantoren heeft ieder een eigen werkplek en in anderen deelt men werkplekken. Dit heeft natuurlijk ook een impact op hoe men de werkomgeving ervaart. In een open ruimte met vaste plekken moet je eigenlijk een beetje geluk hebben; als je naast leuke en stille collega’s zit zal je waarschijnlijk goed kunnen doorwerken. Maar als je net naast de grootste flapuit van de dienst zit, misschien minder. In werkomgevingen waar men plekken deelt en doet aan ‘activity based working’ heb je op het moment dat je je niet kan concentreren de optie om elders te gaan zitten en daar een ruimte voor te gebruiken die daar nog beter voor geschikt is. Tot slot gebruiken we natuurlijk een open werkomgeving samen met elkaar. Wie het over het gebruik van werkplekken heeft, moet het ook over gedrag hebben; over afspraken en hoe we met elkaar omgaan. In elk kantoor bestaan er (vaak ongeschreven) conventies en regels. In een open omgeving zouden wel eens andere afspraken gemaakt moeten worden, zodat we er goed in aan de slag kunnen gaan.

Kortom, als we een landschapskantoor definiëren als een grote open ruimte, waar meer dan 10 werkplekken dicht op elkaar staan met weinig aandacht voor akoestiek en visuele privacy, waar mensen een eigen vaste plek hebben, maar geen afspraken hebben over hoe ze met elkaar de ruimte gebruiken, dan zijn landschapskantoren inderdaad absoluut geen goed idee.

Geef een reactie

Sluit Menu